 |
Mensenrechten en overheidsverantwoordelijkheid
Clara Meijer-Wichmann lezing 10 december 2006
Ties Prakken
- De staat en de grondrechten
In het algemeen worden de klassieke fundamentele rechten en vrijheden zoals het recht op leven, op vrijheid, het recht gevrijwaard te blijven van folter en onmenselijke behandeling, het recht op een eerlijk proces, op privacy en vrijheid van meningsuiting en van vereniging en vergadering gezien als rechten die het individu geldend kan maken tegen de staat. Met de sociale grondrechten is dat anders: recht op arbeid, op inkomen, op toegang tot de gezondheidszorg, op onderwijs veronderstellen tussenkomst van de staat, die rechten zijn zonder aktieve interventie van de staat niet te verwezenlijken, die rechten zijn claims op de staat. Het onderscheid tussen klassieke en sociale grondrechten is allang niet meer absoluut. Aangezien wij niet meer in de 19e eeuwse nachtwakerstaat leven wordt van de overheid ook geëist dat zij tussenkomt met beschermende wetgeving ten aanzien van de klassieke grondrechten. Een ‘kaal’ grondrecht, niet omgeven door nadere wettelijke bescherming, betekent in de praktijk meestal een zwak grondrecht.
De invulling van het recht op een eerlijk proces – overigens niet gegarandeerd in onze grondwet, wel in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) – moeten we vooral zoeken in het Wetboek van Strafvordering en in de vele andere wetten waarin opsporing en vervolging geregeld zijn. Die wetten samen (en de interpretatie die daaraan door de rechterlijke macht gegeven wordt) bepalen hoe het recht op een eerlijk proces er in de Nederlandse praktijk uitziet, wat voor ons de betekenis is van artikel 6 EVRM. Dat gebeurt onder andere door de grenzen van de bevoegdheden van politie en OM te regelen.
Het recht op vrijheid is buiten het Wetboek van Strafvordering (voor de voorlopige hechtenis en wat daarmee samenhangt) ook geregeld in bijvoorbeeld de Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen en de Vreemdelingenwet. In die wetten worden de grenzen bepaald waarbinnen de overheid het recht heeft mensen van hun vrijheid te beroven, zij geven praktische inhoud aan artikel 5 EVRM, dat zekere algemene normen stelt waar de wetgevers binnen moeten blijven bij gedwongen vrijheidsberoving. Maar het recht op vrijheid wordt ook versterkt door de bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht die wederrechtelijke vrijheidsberoving door burgers strafbaar stellen.
De herhaalde en ook weer aktuele gijzeling van journalisten omdat ze hun bronnen beschermen doet de roep op wettelijke bescherming van het recht op vrije informatiegaring steeds luider klinken. Het recht op bronbescherming, dat daar een aspect van is, is een typisch voorbeeld van een in Nederland zwak grondrecht: er zijn een paar arresten van het Europese Hof in Straatsburg waarin de journalistieke bronbescherming onder de vrijheid van informatie en meningsuiting wordt gebracht, maar het leeft niet bij de Nederlandse overheid en ook niet bij de Nederlandse rechters. Die hebben de bronbescherming met enige tegenzin erkend omdat het ‘moest van Straatsburg’ en zijn steeds weer bereid uitzonderingen toe te laten, al gebeurt dat sinds die Europese arresten onder de formele erkenning van het bestaan van het journalistiek verschoningsrecht.
Het recht op privacy (artikel 8 EVRM) kent veel gezichten en is gedeeltelijk afgebakend in de Wet Registratie Persoonsgegevens, de Wet Politieregisters en de wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, maar ook in allerlei bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, zoals het artikel over huisvredebreuk dat het huisrecht beschermt tegen inbreuken door medeburgers naast de regels over huiszoeking in het Wetboek van Strafvordering, die hetzelfde doen ten opzichte van de politie, die immers niet onbeperkt huiszoeking mag doen. De bepalingen over stalking beschermen de burger tegen hinderlijk volgen door particulieren en zo zijn veel meer regels van strafrecht en strafvordering terug te brengen op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, lichamelijke en sexuele integriteit daaronder begrepen.
De meeste wetten die onze grondrechten beschermen of afgrenzen vinden we vanzelfsprekend. We staan er nauwelijks bij stil dat de overheid zich niet alleen te onthouden heeft van directe schendingen van onze rechten, maar ook op een aktievere manier wetgeving maakt ter bescherming van die rechten, tegen het optreden van overheidspersoneel maar ook tegen dat van particulieren. Die vanzelfsprekendheid is er ook voor het Eurpese Hof voor de Rechten van de Mens, dat af en toe de noodzaak herhaalt van wetten èn overheidspraktijken om de grondrechten en vrijheden van de burgers te beschermen. Zo is Turkije eindeloos veroordeeld wegens schending van het recht op leven of het recht om niet gefolterd of onmenselijk behandeld te worden, ook wanneer het harde bewijs ontbrak dat de staat, die dat ontkende, erachter zat. Veroordeling volgde dan wegens inadequate wetgeving of het uitblijven van inspanningen van de overheid om na aangifte de ware toedracht te onderzoeken. Ook Nederland is een keer veroordeeld wegens het tekortschieten van de wetgeving ter bescherming van het recht op sexuele integriteit van een mentaal gehandicapt meisje dat in een inrichting sexueel misbruikt was. Zijzelf was niet in staat een klacht in te dienen, haar vader was niet de aangerande persoon en kon daarom geen klacht indienen. (Aanranding was een klachtdelict dat zonder klacht door het openbaar ministerie niet vervolgd kon worden.) Het Hof in Straatsburg vond strafrechtelijke bescherming van de sexuele integriteit noodzakelijk en veroordeelde de Nederlandse staat wegens schending van artikel 8 EVRM dat het recht op privacy beschermt. Het is dus staatsverantwoordelijkheid om de burger te beschermen tegen grove inbreuken op zijn grondrechten door andere burgers en ook door vreemde staten. Als voorbeeld van dat laatste noem ik de uitleveringsprocedure met betrekking tot de Koerdische leidster Nuriye Kesbir, die minister Donner aan Turkije wilde uitleveren omdat hij dacht dat het na toezeggingen door de Turkse regering wel mee zou vallen met het folteren. De rechter dacht daar anders over en verbood de uitlevering omdat de Nederlandse overheid mensen die zich op haar grondgebied bevinden niet hoort bloot te stellen aan een reële kans op foltering door een andere staat. De mensenrechten, ook de klassieke, eisen van de overheid dus meer dan dat zij zich zelf niet aan directe schending schuldig maakt.
- De beschermende overheid: een tweesnijdend zwaard
Op het eerste gezicht lijkt zo’n mensenrechten beschermende overheid pure winst vergeleken bij de op dit punt passieve staat van vroeger, maar er zit een gevaarlijke adder onder het gras. Zo doen beleidsgerichte juridische onderzoekers en de wetgever in hun ijver om steeds meer gedrag strafbaar te stellen, graag een beroep op de genoemde uitspraak van het Europese Hof over het aangerande zwakzinnige meisje om het te doen voorkomen dat verdere strafbaarstelling van van alles en nog wat een eis van mensenrechtenbescherming zou zijn, waarbij aan de Nederlandse wetgever nauwelijks nog een eigen afweging toekomt.
Ook verdergaande opsporingsbevoegdheden en stroomlijning van het strafproces ten nadele van de rechten van de verdachte worden soms met een beroep op de noodzakelijke bescherming van de mensenrechten gerechtvaardigd. Een efficiënte bestrijding van de misdaad is er immers ter bescherming van onze rechten. Dat het recht op een eerlijk proces van de verdachte ook een belangrijk grondrecht is wordt gemakshalve ‘vergeten’. Politici ter rechter zijde voegen aan de grondrechten uit verdrag en grondwet gemakshalve (en voor de Bühne) graag nog een ‘recht op veiligheid’ toe. Ook dat klinkt op het eerste gezicht misschien sympathiek want wie vindt veiligheid niet belangrijk? Wanneer je gaat doordenken hoe zo’n recht op veiligheid er dan wel uit zou moeten zien en hoe het ingevuld zou moeten worden, dan wordt het een stuk minder leuk. De bedoeling is meestal de rechtvaardiging van zwaardere straffen, meer strafbaarstellingen, meer controle, meer mensen opsluiten die lastig zijn, minder processuele garanties voor de verdachte, minder rechten voor gedetineerden, meer DNA-onderzoek (het nieuwste tovermiddel tegen de misdaad) etc. Een totale strafrechtelijke controle van de maatschappij en dat allemaal om onze grondrechten te beschermen. Dat de voorgestelde maatregelen even zoveel inperkingen zijn van andere grondrechten, die van verdachten, veroordeelden en van aan controlemaatregelen onderworpen personen, wordt er niet bijverteld. Ook de veronderstelde vanzelfsprekendheid dat op meer bescherming van het slachtoffer ‘nu eenmaal’ de prijs staat van minder rechten voor de verdachte, wordt niet ter discussie gesteld, men praat elkaar dat na zonder er verder over na te denken.
De vraag is kortom of de bescherming van mensenrechten, waarbij ongetwijfeld voor de overheid een rol is weggelegd, bij die overheid wel in goede handen is. Een duivels dilemma. Een van de problemen is daarbij dat de overheid de neiging heeft bij het ontwerpen van wettelijke regels de toegestane uitzonderingen op de grondrechten wat meer aandacht te geven dan de grondrechten zelf. De grondrechten worden klein geformuleerd, de uitzonderingen groot. Daarbij wordt duidelijk zichtbaar dat die grondrechten in de eerste plaats bescherming zijn tegen de staat. De grondrechten beschermende staat betoont zich vaak een wolf in schaapskleren.
Wanneer nu bijvoorbeeld in journalistenkring hard wordt geroepen om een wettelijke regeling van het journalistieke verschoningsrecht ter bescherming van de bronnen, dan moet ik zeggen dat ze enerzijds gelijk hebben maar dat ik er aan de andere kant niet zo zeker van ben dat zo’n wet uiteindelijk verbetering zal brengen. We kunnen erop wachten dat daarin de toegelaten uitzonderingen de nodige aandacht zullen krijgen en hoewel de rechtspraak in dit opzicht ook niet royaal is, is het gezag van zo’n wet, zeker als die recent is, toch altijd een beetje groter dan de uitspraak van deze of gene rechter-commissaris. Misschien zou het wel verstandig zijn om het toch maar te doen met het voortdurend hameren op de Europese rechtspraak, die redelijk duidelijk is. Ik denk niet dat er bij de wetgever meer te halen zal zijn. Wetgeving ter versterking van grondrechten is noodzakelijk maar ook problematisch.
- Opsporing en vervolging en de mensenrechten
Dat over de wetgever, maar hoe zit het met de politie en het OM en de mensenrechten? Er wordt wel eens gezegd dat de mensenrechtensituatie in een land het best is af te lezen uit de werking van het strafrecht. Hoewel enigszins overdreven, zit hier een kern van waarheid in. Vooral het strafprocesrecht is een redelijk goede graadmeter van hoe serieus men het neemt met de naleving van de mensenrechten: huiszoekingen, telefoontaps, voorlopige hechtenis, DNA-onderzoek, en natuurlijk het recht op een eerlijk proces zelf, het zijn allemaal toepassingen van de mensenrechten en van de uitzonderingen daarop. We kunnen er voor een groot deel uit aflezen hoe ernstig de grondrechten worden genomen en hoe wijd de kring van uitzonderingen wordt bemeten.
Een moment van nationale verontwaardiging over de praktijk van de mensenrechten in de opsporing was de befaamde IRT-affaire uit de jaren ’90. Toen was de politie duidelijk te ver gegaan, door inkijkoperaties te doen, burgers te laten infiltreren in het criminele milieu en aanzienlijke hoeveelheden drugs op de markt te brengen in de hoop zo nog dichter bij de bazen van de organisaties te komen. Het adagium dat boeven het best met boeven te vangen zijn had geleid tot een situatie waarin steeds onduidelijker werd wie achter wie aanzat. Alle toegepaste proaktieve opsporingsmethodes vormden inbreuken op de privacy van de verdachten en anderen, zonder dat daarvoor in veel gevallen een wettelijke basis was, wat het Europees mensenrechtenverdrag wel eist. Dat een en ander aan het licht was gekomen doordat criminelen hadden ingebroken in het justitiegebouw in Amsterdam en bij een officier van justitie thuis, waar ze diskettes met deze informatie hadden gestolen, was in de publieke opinie van die tijd een veel minder grote zonde dan dat de politie zoveel te ver was gegaan. Zoals bekend maar misschien door sommigen inmiddels vergeten, is de uitkomst van de IRT-affaire een gigantische wetgevingsoperatie geweest. Het resultaat is dat alles wat het IRT illegaal deed, nu keurig in de wet geregeld is. Tel uit je winst. De weinige methodes die toen taboe zijn verklaard, zoals het doorlaten van drugs en burgerinfiltratie, staan nu weer op de agenda alsof er niets gebeurd is.
Overigens lag aan de praktijk van de IRT-methodes wel een expliciete keuze met betrekking tot het politiewerk ten grondslag, die op zichzelf legitiem was. Met name in de bestrijding van de drugscriminaliteit was er terechte kritiek op de politie geweest die eindeloze stromen kleine dealers het leven moeilijk maakte en de grote drugsbaronnen ongemoeid liet. Met de ontdekking van de georganiseerde criminaliteit in de jaren ’80 werd toen het beleid ingezet om op jacht te gaan naar de grote jongens, en dat vergt vergaande pro-aktieve opsporing en langlopende rechercheonderzoeken, met alle risico’s van dien, die in de IRT-affaire dramatisch bleken. Maar de keuze voor het opsporen van de grote jongens in plaats van de kleintjes was op zichzelf helder en respectabel.
Niet alleen bleven de politie en de politiek na de IRT-affaire met een kater zitten, ook het politieke tij keerde in de jaren negentig. Het rechts-populisme kreeg de wind in de zeilen, ‘politiek correct’ werd een scheldwoord en de in Nederland vanouds sterke maatschappelijke betrokkenheid bij de positie van verdachten en veroordeelden, een betrokkenheid waarvoor de naam van Clara Meijer-Wichmann symbool staat, verdween als sneeuw voor de zon om plaats te maken voor een demagogisch ingevulde belangstelling voor ‘het slachtoffer’. Die belangstelling vertaalde zich niet in een serieuze versterking van de rechtspositie van het slachtoffer: die mag nu tijdens de zitting wat roepen maar heeft nog steeds geen effectieve rechten in de procedure. De slachtoffer-hype vertaalde zich simpelweg in een harder en medogenlozer strafrecht. De politiek ging zich verregaand bemoeien met de dagelijkse strafrechtspleging en stelde van incident tot incident strengere maatregelen voor die er ook kwamen. Alles in het belang van de veiligheid van de ‘brave burger’, die zich vèrgaand met het slachtoffer geïdentificeerd had. Dat had ook nieuwe keuzes voor de politie en het OM tot gevolg: geen engagement meer in langlopende moeilijke onderzoeken om in ingewikkelde zaken de onderste steen boven en de bazen in de schijnwerpers te krijgen, maar zichtbaar politieoptreden om de burger zijn ‘gevoel van veiligheid’ terug te geven. In dit type populisme gaat het niet in de eerste plaats om de veiligheid maar om het gevoel van. Het verschil is dat dat gevoel nogal goed te manipuleren is.
In dit politieke klimaat gaat het erom dat de politie scoort, dat goede statistieken getoond kunnen worden en dat iedereen die iets misdaan heeft dat als hinderlijk wordt ervaren als het kan lik-op-stuk berecht en gestraft wordt. Politieonderzoeken moeten snel toonbaar resultaat opleveren en dat geldt ook voor de strafrechtelijke procedures. Het gevangenisregiem wordt ‘soberder’, dat wil zeggen dat zo goed als niets meer gedaan wordt aan maatschappelijke hulp voor gedetineerden tijdens en na hun gevangenschap, en dat meer op een cel erin begint te raken. Tegen de gevaarlijkste criminelen wordt de maatschappij beschermd door hen op te sluiten in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vucht, sinds kort voorzien van een aparte terroristenvleugel. Nederland is intussen meermalen veroordeeld door het EHRM in Straatsburg wegens het onmenselijke regiem in de EBI. Over mensenrechtenbescherming gesproken.
- Het strafrechtelijk beleid
Nederland is een land van strafrechtelijk beleid. We zijn daar zo aan gewend dat het niet meer erg opvalt, maar er zijn ook landen waar gewoon wordt opgespoord en vervolgd wat men tegen komt, al is dat nooit helemaal waar: overal worden wel prioriteiten gesteld in de praktijk, maar in Nederland is dat niet alleen tamelijk extreem, maar ook in theorie volledig geaccepteerd. Voor de duidelijkheid: ik heb er niets tegen dat er een aparte club binnen de politie en OM bestaat waar men verstand van bijvoorbeeld fraude heeft om die beter te lijf te kunnen gaan en dat geldt ook voor een aantal andere terreinen, zoals dat van de jeugd- en zedenpolitie. Know how is natuurlijk enorm belangrijk, en dat vraagt soms om specialisatie. Wel heb ik bezwaar tegen wat volgens mij uitwassen van beleidsvorming zijn.
Officiële beleidsvorming in de opsporing en vervolging heeft vèrstrekkende consequenties. Als er een officieel opsporings- en vervolgingsbeleid is, kan en moet dat ook geëvalueerd worden, en worden de diensten ‘afgerekend’ op het halen van gestelde doelen. Hoewel ‘afrekenen’ voor mij vooral mafiose associaties opwekt, is die term volledig ingeburgerd in het beleidsjargon. Vanaf het moment dat een officieel beleid gevoerd wordt dat ergens toe moet leiden, doen de managers hun intree. Om de politie te laten opsporen wat strafbaar is en wat ze op dat gebied tegenkomt en het OM te laten vervolgen wat de politie aanlevert, heb je geen managers nodig, maar goede rechercheurs en juristen. Om de politie x % meer misdrijven dan vorig jaar te laten ophelderen of om het gevoel van veiligheid in de steden aantoonbaar te laten toenemen, kun je niet zonder. De organisaties moeten dan voortdurend worden doorgelicht, van minder efficiënte elementen in termen van de doelstellingen – die dan ineens targets heten – worden ontdaan en aangezet om bepaalde ‘producten’ te leveren waar de consument tevreden over is. En als die consument niet tevreden is moet hij tevreden gemaakt worden, maar ook weer niet te tevreden, want dan brengt hij zijn stem niet meer uit voor meer middelen voor de politie. Organisatierapporten dus, stukken met toekomstvisies op korte-, middellange- en langere termijn, en tevredenheidsonderzoeken onder de bevolking. Dus ook statistieken. En als er iets gemanipuleerd kan worden zijn het wel statistieken, zeker als iedereen weet dat die opgemaakt gaan worden en dat het voortbestaan van de organisatie op de huidige sterkte ervan afhankelijk is. Dus moeten politie en OM prestatiecontracten afsluiten en wordt zelfs de budgetering van de zittende rechters afhankelijk gesteld van ‘omzet’ en ‘productie’.
Het centraal stellen van het ‘gevoel van veiligheid’ (van de in de pas lopende brave burger wel te verstaan) betekent nadruk op de bestrijding van overlast. Van de leiders van een mafiose bende merken de mensen niets, dus die zijn niet langer interessant voor het beleid, en hun opsporing kost teveel tijd en menskracht. ‘Korte klappen’ is nu het officiële adagium. Opjagen van junks en opsluiten van veelplegers voor periodes die niet in verhouding staan tot wat ze gedaan hebben, is de praktijk. En verder zijn er af en toe opflakkeringen van strafrechtelijke verschijnselen die een tijdje de publieke verontwaardiging wekken, zoals momenteel de kinderporno. Ik zeg niet dat het er niets toe doet, maar de bezetenheid waarmee dit verschijnsel te lijf wordt gegaan is naar mijn smaak overdreven en zal binnenkort wel weer vervangen worden door iets nieuws dat de aandacht van politiek en media weet te werven. In dit klimaat is goed te verklaren dat politiemensen in het veld die het als hun taak zien echte underdogs te beschermen, daarvoor in hun organisatie niet worden onderscheiden maar gedwarsboomd. Met het in het nieuwe veiligheidsdenken zo centraal staande slachtoffer wordt immers niet in de eerste plaats gedacht aan al dan niet illegaal in Nederland verblijvende, al dan niet drugsverslaafde hoeren. Hun recht op veiligheid hoeft niet zo nodig beschermd te worden.
De onvrede over het functioneren van het strafrecht is wijd verbreid maar komt uit verschillende hoek, en dat geldt dus ook voor de aangedragen remedies. Om nog even met de onvrede door te gaan: de politie voelt zich soms onvoldoende gedekt door OM en rechter wanneer ze met veel moeite tot arrestaties zijn gekomen en de verdachte wordt snel weer vrijgelaten. Andere politiemensen voelen zich in de steek gelaten door hun eigen leiding die geen medewerking verleent aan hun strijd tegen de schandalige uitbuiting en het geweld op de Wallen. Binnen het OM zijn er ook mensen die het gevoel hebben dat hun eigenlijke juridische werk ondersneeuwt in het management en de burocratie. De rechters voelen enerzijds de hete adem in de nek van politiek en publieke opinie die vinden dat ze te soft zijn en zitten anderzijds klem door de werkdruk waaraan zij worden blootgesteld door hun eigen managers die de hand op de knip houden wanneer ze onvoldoende ‘producten’ afleveren. Bedoeld worden vonnissen en dan ook nog liefst veroordelende vonnissen. Media en politiek vinden de misdaadbestrijding nooit genoeg en advocaten klagen steen en been over de verschralende strafprocedure waarin een effectieve verdediging steeds moeilijker wordt.
Overal wordt gezocht naar uitwegen uit de malaise, teveel om er hier allemaal op in te gaan. Eén aspect wil ik toch aanroeren, en dat is de roep die uit verschillende hoek komt om meer participatie van gewone burgers in de strafrechtpleging. Die roep komt van links en van rechts, alleen bij de professionele deelnemers aan het strafrecht is de argwaan groot. Voorop gesteld moet worden dat er geen land is waar lekenparticipatie aan het strafrecht zo totaal afwezig is als in Nederland. Het gaat om een diepgewortelde afkeer van ‘volksinvloed’ en een overeenkomstig blind vertrouwen in professionals. Wij hebben in Nederland van 1811 – 1813 onder de Franse bezetting juryrechtspraak gekend. Een van de eerste dingen die na vertrek van de Fransen in 1813 werd gedaan is het weer afschaffen van die juryrechtspraak, waar men niets van moest weten. Dat niet iedereen zoveel vertrouwen had in de objectiviteit van de professionele rechtspraak bleek na de afscheiding van België in 1830. Men had daar toen zo de buik vol van de politieke processen bij de Nederlandse professionele rechtbanken tegen de latere afscheiders, dat in de nieuwe Belgische wetgeving werd opgenomen dat in politieke strafzaken uitsluitend de juryrechtbanken bevoegd waren. Die bepaling staat er nog steeds in, en er wordt nog steeds beroep op gedaan, zij het nauwelijks meer met succes. In Nederland was juryrechtspraak tot voor kort een taboe. Dat is inmiddels veranderd. Daarnaast doen voorstellen over lekenrechtspraak de ronde. Bedoeld wordt dan toevoeging van niet-juristen aan gewone rechtbanken, alleen niet per zaak maar permanent. Wat van dit alles te vinden?
Dat is een moeilijke kwestie. Ik denk dat het totale wantrouwen tegen alles wat niet professioneel is misplaatst is. Een voordeel van juryrechtspraak is in ieder geval dat de burocratie er moeilijk greep op kan krijgen. Dat is ongetwijfeld de reden dat men bijvoorbeeld in Frankrijk terrorisme-verdachten heeft uitgesloten van de juryrechtspraak. Wat de lekenrechters betreft moet in ieder geval voorkomen worden dat het verwordt tot een bezuinigingsmaatregel, wat bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk een veel gehoorde klacht is. De jury beschouwt men daar overigens als een verworven recht en niet als een probleem. Juryrechtspraak en lekenrechtspraak bergen natuurlijk het gevaar in zich dat hierdoor het ongenuanceerde ‘hoger straffen’-gevoel een plaats krijgt in de rechtspraak. Daar waar ervaring is met juryrechtspraak blijkt dat meestal niet tot stuktureel hogere straffen te leiden en ik denk dat dat komt doordat juryleden een grote verantwoordelijkheid krijgen opgelegd. In de kroeg of op tv roepen dat pedofielen de doodstraf moeten hebben is natuurlijk iets anders dan in een jury zitten, een zaak in volle complexiteit voorgeschoteld krijgen en dan een concreet oordeel moeten vellen over een persoon die voor je zit en van wie je inmiddels het nodige weet. Dat geldt ook voor lekenrechters, maar zij zijn makkelijker in te kapselen omdat zij vast deel uitmaken van een rechtbank. De vraag is of het nadeel van niet jurist zijn dan opweegt tegen het voordeel van een onbevangener kijk op de feiten.
Wat eigenlijk bij mijn weten niet besproken wordt en wat toch in het kader van het accent op het slachtoffer voor de hand zou liggen, is de mogelijkheid voor een benadeelde van een strafbaar feit om zelf initiatief te nemen tot een strafproces, zoals dat bijvoorbeeld in België mogelijk is. Een slachtoffer kan zich daar burgerlijke partij stellen in een lopende strafzaak en heeft dan inderdaad volwaardige processuele rechten. Maar het gaat verder: hij kan ook als er geen strafrechtelijk onderzoek van overheidswege is ingesteld, zelf naar de onderzoeksrechter (rechter-commissaris) stappen en daar een klacht neerleggen, die dan door de onderzoeksrechter onderzocht moet worden. Wanneer die van oordeel is dat de klacht nergens op slaat kan hij de raadkamer van de rechtbank vragen de klacht niet-ontvankelijk te verklaren en dan is daarmee de kous af. In de andere gevallen heeft het slachtoffer dus een initiatiefrecht. Na het onderzoek door de onderzoeksrechter wordt de vervolging ingesteld door het openbaar ministerie en is alles als in een gewone strafzaak. Ook hier is gedacht aan de noodzakelijke verantwoordelijkheid die bij dit recht van elke burger hoort: wie een klacht neerlegt moet een borg betalen die hij verspeelt wanneer uiteindelijk geen vervolging wordt ingesteld. Een voordeel van deze mogelijkheid is dat er in ieder geval een rechter kijkt naar de redelijkheid van een klacht en dat die niet zo makkelijk kan verdwijnen in het burocratisch moeras van prioriteitstellingen waar een slachtoffer helaas buiten blijkt te vallen. Niet zo’n gek idee en in ieder geval beter dan de ‘cri de coeur’ die het slachtoffer nu bij ons mag slaken in een overigens doorgerationaliseerd strafproces. De vrouwen op de Wallen zouden er baat bij kunnen hebben.
top page

|