|
Uitreiking van de Clara Meijer-Wichmann Penning 2006 aan Mos Florie en Nico Sukel op 10 december 2006 in de Amstelkerk in Amsterdam
Laudatio door Rudolf de Jong
Bij het afscheid van mijn werk aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis werd mij een vriendenboek aangeboden. Hierin waren fragmenten opgenomen uit de ongepubliceerde memoires van de historicus Max Nettlau. Ik citeer een zin: “Meine Meinung der Prostitution gegenüber ist ganz einfach, die ungeheurer Dankbarkeit”. / “Mijn mening over de prostitutie is heel eenvoudig, die van de allergrootste dankbaarheid “.
Het is uitzonderlijk oprecht. Uitzonderlijker nog is de dankbaarheid en het respect voor de prostituees die er uit spreekt.
‘Prostitutie is een beroep als alle anderen’ hoort men vaak. De stelling is ook in de wetgeving doorgedrongen. Maar een beroep is alleen ‘een beroep als alle anderen’, indien er respect bestaat voor de mensenrechten van de uitoefenaars van dit beroep. En dat is hier helaas niet het geval. Minachting voor prostituees komt heel wat meer voor dan achting. Schendingen van mensenrechten – door vrouwenhandel, gedwongen prostitutie en mishandelingen – zijn vrij normaal in dit ‘beroep als alle anderen’.
Er bestaat in Nederland een groot misverstand over de mensenrechten. Een misverstand waar de Liga tegen vecht. Het misverstand dat schendingen van de mensenrechten een zaak van het buitenland is. In Nederland zijn de mensenrechten erkend en dus veilig, zo denkt men. De werkelijkheid is anders.
Ik noem drie gebieden van grove en grootschalige schendingen van mensenrechten in ons land: kindermishandeling, de behandeling van vreemdelingen zonder (geldige) papieren en de gedwongen prostitutie.
Twee jaar geleden is de Clara Meijer-Wichmannpenning uitgereikt aan Andries van Dantzig als dank voor zijn inzet in de strijd tegen kindermishandeling. Vorig jaar werd de penning toegekend aan Britta Böhler die zich o.a. inzet voor de rechten van vluchtelingen. Beiden zijn min of meer bekende Nederlanders. Dit jaar gaat de penning naar twee mensen die zich ingezet hebben in de strijd tegen vrouwenhandel en tegen gedwongen prostitutie. Mos Florie en Nico Sukel, twee brigadiers van de politie die in stilte en anonimiteit hebben gestreden voor de rechten van de mens. Het feit dat het personen zijn die niet zo aan de weg getimmerd hebben, is steeds een belangrijk criterium voor de Raad van Advies van de Liga die functioneert als jury voor de toekenning van de penning.
Als wijkagenten op de Amsterdamse wallen zijn Mos Florie en Nico Sukel geconfronteerd met vrouwenhandel. Vanuit hun werksituatie en door hun grote inzet konden zij een vertrouwensrelatie opbouwen met vrouwen en meisjes die in de prostitutie werken. Uit de oorkonde die hun zo dadelijk zal worden overhandigd, citeer ik:
“Mos Florie en Nico Sukel komen in hun politiewerk op niet aflatende wijze op voor vrouwen die slachtoffer zijn van mensenhandel. Zij doen dat in de situatie, waarbij – vanwege de politieke en publieke druk op de politie en de justitie bij de opsporing, vervolging en berechting van misdadigers – aan de aanpak van deze flagrante schending van mensenrechten weinig prioriteit wordt gegeven”.
Toch hebben zij – voor zover dit mogelijk was – volgehouden. Men kan zonder meer zeggen, dat beiden door hun strijd voor de mensenrechten persoonlijke offers gebracht hebben en risico’s hebben gelopen: bedreigingen van de kant van criminelen en risico’s wat hun loopbaan betreft. Dit brengen van persoonlijke offers door het volgen van hun geweten is bij de toekenning van de penning een heel belangrijke overweging geweest.
En dan was er nog een overweging. Zij hebben meegewerkt aan de publicaties van Ruth Hopkins – één van de actiefste leden van de Liga – over vrouwenhandel in Amsterdam. Hierdoor hebben zij in zekere zin de rol van klokkenluiders op zich genomen. Zoals bekend, worden klokkenluiders niet altijd gewaardeerd. In de Liga gelukkig wel. En ook dit was een factor in de toekenning van de penning.
Op twee zaken wil ik nu de aandacht vestigen.
In het Maandblad van NRC Handelsblad schreef Ruth Hopkins een uitvoerig artikel over ‘Slavenhandel op de wallen’. Hierin kwam ook het niet doorzetten van vervolging ter sprake. Men mag toch aannemen dat ‘de politiek’ hier kennis van heeft genomen. Tot meer dan vrijblijvende verklaringen van politici heeft het niet geleid. Ook ‘de politiek’ laat veel in laatjes liggen als het om schendingen van de mensenrechten in Nederland gaat
Het tweede punt is dat van de prioriteit. Tegenwoordig wordt vrijwel alles en iedereen in de publieke sector – niet alleen bij de politie, ook in het onderwijs, de gezondheidszorg, het openbaar vervoer – ‘afgerekend op prestaties’.
Het gevolg is dat er met de prestaties en de prioriteiten gemanipuleerd moet worden. Cru gezegd: bonnen wegens verkeersovertredingen zijn meetbaar, contacten leggen in het menselijke vlak om de vrouwenhandel te bestrijden niet. Leerkrachten krijgen te horen dat het belangrijker is om niet al te veel onvoldoendes uit te delen dan om het peil van het onderwijs hoog te houden.
Naar buiten toe, naar de bevolking, betekent dit dat de publieke sector verarmt en zelfs dreigt te verloederen. Naar binnen toe betekent dit dat er niet meer naar de mensen op de werkvloer wordt geluisterd; hun ervaringen en kennis, die toch van wezenlijk belang zijn om de zaken draaiende te houden, worden veronachtzaamd en gaan verloren. Waardering voor hun werk en inzet gaat verloren. Eigen verantwoordelijkheid wordt niet op prijs gesteld. ‘Ze doen maar’, ‘het zal mijn tijd wel uitduren’ zijn veel gehoorde uitspraken op de werkvloeren in de publieke sector.
Ik heb, meen ik, al eens eerder op deze plaats de eerste zin van artikel één van
de beroemde Verklaring van de Rechten van de Mens aangehaald: “Het doel van de samenleving is het gemeenschappelijk geluk”. Met het persoonlijk geluk van de Nederlanders blijkt het redelijk goed gesteld te zijn. Met het gemeenschappelijk geluk is dat niet het geval. Het gevolg is onverschilligheid voor de publieke zaak en voor de rechten van de mens.
De publieke zaak, daar draaide het om bij Clara Meijer-Wichmann, naar wie de penning genoemd is. Haar naam zal U beiden - en waarschijnlijk vrijwel allen in politiekringen - onbekend zijn geweest. Ik acht het zelfs niet uitgesloten dat bij sommige collega’s van U de wenkbrauwen omhoog gaan, als zij vernemen dat een naar haar genoemde penning aan politiemensen is geschonken. Haar naam wordt meestal niet direct in verband gebracht met ‘orde’. Zeker niet met de bestaande orde
Clara Meijer-Wichmann, die in 1922 op nog jeugdige leeftijd stierf, was afkomstig uit een ordelievend professorengezin. Er zijn twee aanrakingspunten te noemen met het werk van Mos Florie en Nico Sukel. Zij hield zich bezig met de rechten van de vrouw en met het strafrecht. Wat het strafrecht betreft, streefde zij naar humanisering en zelfs afschaffing van het idee van straffen.
Mede door de eerste wereldoorlog werd zij antimilitarist en zocht zij aansluiting bij de revolutionaire arbeidersbeweging van haar tijd. Zij verwierp daarbij volledig de idee van een dictatuur en van overheersing van de een door de ander. Zij betoogde dat in de strijd voor een betere wereld het doel in de middelen aanwezig moest zijn. Zij polemiseerde veel, maar altijd met respect voor de ander, die zij wel als tegenstander zag, maar nooit als de vijand. Het ging er niet om de ander te overwinnen, maar om bevrijding van overheersing waarbij er geen overwinnaars en geen overwonnenen zouden zijn. Dit alles bracht haar tot het socialisme en binnen het socialisme tot het anarchisme.
Nu worden anarchisten, ondanks het woord van Proudhon, één van hun aartsvaders, “de anarchie is de orde” , meestal gezien als de kampioenen van de wanorde en vijanden van alles wat politie is. Eerlijk gezegd niet geheel ten onrechte.
Laat ik een familieherinnering mogen inlassen. Mijn vader was afkomstig uit een anarchistisch gezin. Hij heeft nog – zo’n negentig jaar geleden – met de beroemde Domela Nieuwenhuis op één podium gestaan. Eens waren zij samen op weg naar een vergadering maar wisten niet hoe ze er komen moesten.
- “Wel”, zei Domela, ”laten we het maar eens aan een agent vragen”.
- “Wat!”, riep mijn vader, jong en fanatiek, “dat vraagt U, Domela, aan een agent?!”
- “Waarom niet”, antwoordde Domela, oud en wijs, “dan doet zo’n man ook nog eens wat voor het anarchisme”
Toen mijn vader het mij vertelde, was hij zelf ouder en wijzer geworden. Zo wijs, dat hij mij ook in aanraking bracht met de geschriften van Clara Meijer Wichmann. Haar en ook mijn ideaal is niet een politie die de bestaande orde verdedigt tegen de burgers, maar een politie die als begeleiders samen met de burgers een orde in vrijheid schept.
Hoewel deze opvatting niet algemeen is, komt zij ook bij de politie voor.
Lang geleden, in de jaren zestig, had ik eens een gesprek over het anarchisme met de heer Heidema, de commissaris van politie van Dordrecht en twee van zijn medewerkers. Een verslag ervan is gepubliceerd in het personeelsorgaan van de Dordrechtse politie. Ik citeer commissaris Heidema:
“Het gaat om de mens in de maatschappij. De bewustwording van de mens. Het leren zichzelf te besturen. Hij moet medezeggenschap in de onderneming krijgen. De mensen beseffen nog te weinig dat er overal een bepaalde orde moet zijn, maar dat die orde nog teveel vanuit de leiding wordt vastgesteld zonder dat degenen die aan de gemeenschap deelhebben er actief bij betrokken worden. Ideaal is de leider wiens volgeling uit liefde volgt. Een vorm van liefde is vertrouwen. Vertrouwen krijg je door menselijkheid, rechtvaardigheid en kennis van zaken. Dat moet de politie goed weten. Dat moet ons uitgangspunt in beleid zijn. Deze drie dingen geven gezag.” (Einde citaat)
Deze woorden liggen geheel in de lijn van het denken van Clara Meijer-Wichmann, van de opvattingen van de Liga, en van de wijze waarop Mos Florie en Nico Sukel zich ingezet hebben voor de rechten van mensen. Daarom wordt hun nu de Clara Meijer-Wichmann Penning 2006 overhandigd.
top page

|