 |
Mensenrechten en Onderwijs
“Mensenrechten en kinderrechten zijn niet meer weg te denken begrippen bij de fundering en de beoordeling van het gedrag tussen mensen. Deze zgn. mensenrechtencultuur heeft zich als gevolg van de 2e Wereldoorlog versterkt ontwikkeld en overspant met vele verdragen en conventies in regionale organisaties (bijv. de EU) en in supranationale organisaties (o.a. de VN) de opvattingen over de verhouding tussen de mensen op de wereld. Zij stuurt ook de nationale wetgeving.”
Dit citaat komt uit de uitnodiging voor de conferentie mensenrechten- en kinderrechtenonderwijs, gehouden op vrijdag 24 november 2006 in de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN), die als titel droeg Kinderrechten. Basis voor onderwijs! Op deze conferentie stelde dr. Cees Klaassen, onderwijskundige en pedagoog aan de Radboud Universiteit Nijmegen, dat thans het momentum is voor het leggen van directe verbanden tussen onderwijs en mensen/kinderrechten op zowel landelijk (regering en parlement), als regionaal (lerarenopleidingen, pedagogische centra, educatieve uitgeverijen, etc.), als plaatselijk niveau (scholen, klassen).
Brief van de Liga voor de Rechten van de Mens aan de politieke partijen
In de geest van de heersende mensenrechtencultuur heeft op 9 juni 2006 het bestuur van de Liga voor de Rechten van de Mens, zijn Raad van Advies gehoord, een brief gestuurd aan de politieke partijen in Nederland onder het motto Herschrijf artikel 23 in de geest van de rechten van de mens en de rechten van het kind. Naar het oordeel van de Liga is de huidige formulering van dit onderwijsartikel toegesneden op de situatie van (de eerste helft van) de 20ste eeuw. Met kunst- en vliegwerk zijn de afzonderlijke bepalingen van dit artikel nog wel te hanteren voor de huidige, sterk veranderde en nog steeds sterk veranderende wereld in de 21ste eeuw. Maar beter is het om thans tot een nieuwe redactie te komen, zodanig, dat artikel 23 volop ruimte biedt voor adequaat onderwijs en even adequate opvoeding op scholen in de loop van het nieuwe, huidige millennium. In het bijzonder zou het nieuw geformuleerde artikel aan de samenleving een uitgangspunt bieden voor de beoogde integratie. De herformulering van artikel 23 in de geest van de rechten van de mens en de rechten van het kind betekent ten principale, aldus de Liga, dat in de toekomst het door de overheid gefinancierd onderwijs (het primaire, secundaire en tertiaire) wordt georganiseerd en gegeven op de grondslag van de erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap. Deze formulering van de grondslag voor het onderwijs is - in de officiële Nederlandse vertaling - dezelfde als die in de préambule van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) wordt gebruikt voor de aanduiding van de grondslag voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld.
SLO-Basisdocument Platform Mensenrechten Educatie
Ook in de geest van de heersende mensenrechtencultuur is in 2001 het SLO-Basisdocument verschenen onder de titel Mensenrechten door het curriculum, dat verzorgd was door het Platform Mensenrechten Educatie (MRE). In dat document wordt betoogd dat de rechten van de mens sterker dan voorheen de basis van het onderwijs dienen te vormen en een rol moeten spelen bij het nemen van besluiten over onderwijsinnovaties en beleidsveranderingen (blz.10). In dat document wordt gewezen op de situatie in Zweden. Daar is de overheid van mening dat er waarden geformuleerd moeten worden, die de Zweedse grondwet en democratie kunnen funderen en die in het onderwijs nagestreefd moeten worden. Bij de formulering van deze waarden krijgen in Zweden de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind een belangrijke plaats (blz.14/15). Het Platform tekent daarbij aan dat een dergelijke aanpak ook in Nederland een bijdrage kan leveren aan een toewerken naar een gemeenschappelijk waardenpatroon in de samenleving en dat hier geen sprake is van indoctrinatie, aangezien het universele, voor de mensheid fundamentele waarden betreft (blz.18). Ook tekent het Platform hierbij aan dat onderwijs in mensenrechten betrekking heeft op inhoud, structuur, proces en organisatie van het onderwijs in het algemeen en dat het mensenrechtenonderwijs zich daarom richt op zowel de niveaus van de overheid en de schoolleiding, als op de niveaus van de klassensituatie en de lesstof (blz.15).
Inherente waardigheid
De waarde bij uitstek die de Zweedse en ook de Nederlandse grondwet en democratie fundeert en die in het onderwijs nagestreefd dient te worden, is de inherente waardigheid van alle mensen van de mensengemeenschap. Erkenning van deze waarde vormt de grondslag voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld. Met deze morele constatering begint de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, vastgesteld in 1948, dus net na en in reactie op de dramatische en traumatische gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Inherent staat hier tegenover exherent. Dat wil zeggen dat alle mensen een waarde op zich zelf vormen (inherent) en niet gereduceerd kunnen worden tot een nuttigheidswaarde (exherent). Een mens is altijd meer dan een gebruiksvoorwerp, meer dan enkel nuttigheid voor iets of iemand anders. Deze fundamentele, morele constatering ligt in de lijn van de uitspraak van de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) in diens Grundlegung zur Metaphysik der Zitten (1785), welke uitspraak in Nederlandse vertaling luidt: “Handel zo, dat je de mensheid, zowel in je eigen persoon als in de persoon van ieder ander, tegelijkertijd ook als doel en nooit enkel als middel gebruikt”. Deze fundamentele, morele constatering wordt ook verwoord door prof.dr. Koo van der Wal in diens boek De omkering van de wereld. Achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef (1996). Van der Wal bepleit daarin de totaal objectiverende houding tegenover de werkelijkheid achterwege te laten en een vernieuwde houding aan te nemen, waar ruimte is voor ontmoeting met subjecten, een houding die gekenmerkt wordt door eerbied en die daarmee een religieus karakter heeft (blz.179).
Naastenliefde
De erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap heeft verwantschap met het voldoen aan het universele gebod van de christelijke naastenliefde: hebt uw naasten lief als u zelf. Jezus Christus, de joodse Palestijn aan het begin van onze jaartelling, die wij uit geschriften en overlevering kennen als bijzonder humaan, had waarschijnlijk op zijn manier de notie van menselijke waardigheid die wij op onze manier hebben. Deze notie lijnt ook tot op zekere hoogte met de leuze “Vrijheid, gelijkheid en broederschap” van de Franse Revolutie aan het einde van de achttiende eeuw. Van deze drie fundamentele rechten kregen doorgaans de vrijheid en de gelijkheid in het liberale verlichtingsdenken het volle pond, waarbij de (egocentrische) vrijheid steeds slechts beperkt werd geacht door de vrijheid van de concurrerende ander en niet door de broederschap. Aan de broederschap werd doorgaans nauwelijks of geen aandacht geschonken. Dat gaat helaas nog steeds zo. Onvoldoende worden daarbij de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog verdisconteerd. Wat dat betreft is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) een flinke stap voorwaarts ten opzichte van de Déclaration des Droits de l’Homme en du Citoyen (1789).
Receptie van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in Nederland
Van een werkelijke receptie – opname, overname, implementatie – van die historische verklaring uit 1948 in Nederland is helaas nog geen sprake. Prof.dr. Cees J. Hamelink, voorzitter van de Liga voor de Rechten van de Mens, zei hierover in een vergadering van de Raad van Advies van de Liga: “We hebben een cadeau gekregen, maar we zijn het vergeten uit te pakken.” Leonard Kater komt aan het einde van zijn internetartikel, getiteld “Over de Receptie van de Universele Verklaring in Grondwet en Statuut”, gepubliceerd op de internet site van de Stichting Sociale Databank Nederland (zie http://www.sdnl.nl/gw-hmu.htm ), tot de volgende uitspraak: “Waar het echter gaat om de implementatie van de Universele Verklaring zelf, is het ook in onze rechtsorde zo, dat de receptie van deze verklaring nog niet heeft plaatsgevonden. Wel op onderdelen, maar niet in volle omvang”. Kater komt in zijn artikel met het voorstel om de volledige tekst van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens – dus zowel de preambule met zijn zes overwegingen als de dertig artikelen – te zien als een minimum interpretatie van artikel 43 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden (1954), zijnde de hoogste staatkundige regeling in onze rechtsorde. Dat artikel 43 bepaalt dat naast de andere landen van het koninkrijk ook Nederland zorg draagt voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur, alsmede dit alles ook waarborgt. Daarenboven bepaalt artikel 5 lid 2 van het statuut, dat de grondwet de bepalingen van het statuut, waaronder dus artikel 43, in acht neemt. Dit laatste impliceert dat de Nederlandse grondwet de volledige tekst van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in acht dient te nemen. Volgens Kater dient met het oog daarop aan onze grondwet een nieuw hoofdstuk te worden toegevoegd, een beginnend hoofdstuk (“hoofdstuk nul”). Daarin zou onder meer tot uitdrukking moeten worden gebracht dat de volledige tekst van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als een minimum interpretatie wordt opgevat van het begrip “zorg voor de fundamentele rechten en vrijheden” uit artikel 43 van het statuut. En daarmee zou onze grondwet in overeenstemming te brengen zijn met het statuut en zou de receptie van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in ons constitutioneel bestel plaats kunnen vinden.
Herformulering van grondwetsonderwijsartikel 23
De plaatsing van een extra hoofdstuk in de grondwet, zoals bedoeld door Leonard Kater, houdt ook in dat bepaalde grondwetsartikelen verwijderd dan wel anders geformuleerd moeten worden, bijvoorbeeld artikel 23 dat over onderwijs gaat. Dit laatste is precies waar het bestuur van de Liga voor de Rechten van de Mens in zijn brief aan de politieke partijen op heeft aangedrongen. In het nieuw te formuleren grondwetsartikel moet, naar mijn oordeel, in elk geval in juist gekozen bewoordingen het volgende tot uitdrukking worden gebracht:
- Door de overheid gefinancierde scholen hebben naast het geven van onderwijs een pedagogische opdracht.
- Onderwijs en opvoeding worden op door de overheid gefinancierde scholen gegeven op de grondslag van de erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle mensen van de mensengemeenschap.
- Op de door de overheid gefinancierde scholen wordt aandacht besteed aan internationale verklaringen en verdragen, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Verdrag inzake de Rechten van de Kind, alsmede aan de Grondwet en het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.
Cornelis Schavemaker
Filosoof
Secretaris Liga voor de Rechten van de Mens Utrecht, december 2006
top page

|