actueel
missie
organisatie
terecht
cmw penning
vernindingen
archief
contact
 

Overzicht actueel

Straffeloze medeplichtigheid

mr. Meindert J.F. Stelling

voorzitter Tribunaal voor de Vrede

15 maart 2008

1. Inleiding

Ik wil het met u hebben over straffeloze medeplichtigheid. Over straffeloze mede­plichtigheid aan schendingen van mensenrechten. Nu verwijst de terminologie "medeplichtigheid" naar strafrechtelijk gesanctioneerde misdragingen. En niet iedere schending van mensenrechten is strafrechtelijk gesanctioneerd. Schending van de vrijheid van meningsuiting of van de vrijheid van godsdienst is doorgaans geen strafbaar feit. De schending van de meest fundamentele mensenrechten daar­entegen wél. Het gaat dan om het recht op leven, de onschendbaarheid van de per­soon en het recht op vrijheid, op vrijheid van beweging.

De laatstbedoelde rechten zijn in alle nationale rechtsstelsels strafrechtelijk be­schermd. Moord en doodslag zijn overal ter wereld misdaden. Datzelfde geldt voor mishandeling en onwettige vrijheidsberoving. En doorgaans wordt van staatswege de nodige inzet getoond om dergelijke misdaden voor de rechter te brengen en te bestraffen. Daarbij richt de staat zich doorgaans ook tegen degenen die behulpzaam zijn geweest bij die misdaden, zonder daar zelf rechtstreeks bij te zijn betrokken. Dus niet alleen de daders, maar ook de medeplichtigen worden zo mogelijk straf­rechtelijk ter verantwoording geroepen.

Maar er zijn uitzonderingen. Uitzonderingen die zich veelal voordoen in het geval dat de overheid, de machthebbers, actief of passief bij de onderhavige schendingen van mensenrechten zijn betrokken. En die uitzonderingen hebben dan niet uitslui­tend betrekking op uitzonderlijke misstappen van mensen die deel uitmaken van machthebbende elite. Zij hebben vooral betrekking op de structurele mensenrech­tenschendingen die op het gezag of met instemming van de machthebbers plaats­vinden.

Professor Röling heeft in dit verband de criminologische term "systeemmisdaad" geïntroduceerd. Hij kwam hiertoe naar aanleiding van de ernstige schendingen van mensenrechten die plaatsvonden tijdens de Tweede Wereldoorlog, op instigatie van de politieke leiders van het Derde Rijk en het Japanse keizerrijk of met hun stilzwij­gende instemming. Misdaden waarbij staatsinstellingen nauw betrokken waren. Daaronder niet alleen de onderscheiden ministeries en de krijgsmachten, maar ook de rechterlijke macht. Systeemmisdaden zijn uitsluitend mogelijk indien de rechter­lijke macht zich bereid toont tot collaboratie daaraan.

Het is in verband met die systeemmisdaden dat ik het wil hebben over de straffeloze medeplichtigheid. Want het gaat bij systeemmisdaden niet om een kleine groep misdadigers die de mensenrechten schendt. Het gaat om een geïnstitutionaliseerde misdadigheid die gebruik maakt van de diensten van talloze mensen en instellin­gen. Het gaat om een wijdvertakte betrokkenheid, die de medeverantwoordelijkheid van de betrokkenen veelal aan het zicht onttrekt. Om dit met een bekend voorbeeld van de Tweede Wereldoorlog te illustreren: het gaat niet alleen om degene die het Zyklon-B gas daadwerkelijk inbracht in de gaskamers, maar ook om de machinis­ten die de treinen des doods bestuurden, om de Nederlandse agenten die de Joden arresteerden, om de spoorwegbeambten die de wissels bedienden en om de mede­werkers van de bevolkingsregistraties die de gegevens aanleverden die nodig waren om te bepalen wie al dan niet Jood waren. De betrokkenheid reikt ver, heel ver.

2. De systeemmisdaden waar het om gaat

Ook heden ten dage is er sprake van systeemmisdadigheid. Dit ondanks het feit dat de ernst van die misdaden van dien aard is dat de gehele internationale gemeen­schap zich daartegen heeft gekeerd. De misdadigheid gaat zo in tegen de menselijk­heid, druist -in de terminologie van een verdrag van Den Haag van 1899- zo in tegen de "eisen van het publieke rechtsbewustzijn", dat staten zich verdragsrechte­lijk hebben verplicht om die misdaden tegen te gaan en om die in voorkomend geval ook te bestraffen. We hebben het dan over de verdragen die de aanvalsoorlog uit­bannen, de verdragen inzake het oorlogsrecht, het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide, en het Verdrag ter voorkoming van foltering en onmen­selijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Staten die partij zijn bij die verdragen dienen deze in de eerste plaats te goeder trouw na te komen. De goede trouw vormt het fundament waarop het internatio­naal recht is gebouwd. Zonder de goede trouw kan er, binnen het huidige institu­tionele kader, geen sprake zijn van internationaal recht. Er is immers, hoe verrei­kende maatregelen ook mogelijk zijn op grond van het beperkte mandaat van de VN-Veiligheidsraad, geen zodanig supranationaal gezag dat er sprake kan zijn van dwingende rechtshandhaving. Bovendien is er geen dwingende rechtsmacht van een internationale rechter. Die goede trouw impliceert overigens niet alleen dat de partijen bij het verdrag zich dienen te onthouden van de verboden gedragingen. Ook mogen geen zodanige voorbereidende maatregelen worden getroffen, dat in voorko­mend geval die verboden gedragingen mogelijk zijn gemaakt en toch worden ver­toond. Met andere woorden: niet alleen de misdaad is verboden, maar ook de voor­bereidingen daartoe.

In de tweede plaats vereisen de onderhavige verdragen dat de daarin als misdaden aangeduide gedragingen, als strafbare feiten worden opgenomen in het nationale strafrecht van de verdragspartijen. En ook hierbij komt de goede trouw weer om de hoek kijken. De goede trouw vereist dat niet alleen die wetgeving tot stand wordt gebracht, maar ook dat vervolgens in voorkomend geval door de justitiële autoritei­ten rechtshandhavend wordt opgetreden.

De strafbare feiten ingevolge het oorlogsrecht, het genocideverdrag en het anti-fol­terverdrag zijn in het Nederlands nationale recht neergelegd in de Wet internatio­nale misdrijven. Er zijn in dat kader overigens wel enkele leemtes aan te wijzen. In de nationale wetgeving is de aanvalsoorlog niet expliciet strafbaar gesteld, terwijl dit ingevolge het internationale gewoonterecht wel degelijk een strafbaar feit is. Een strafbaar feit waar ingevolge het Vluchtelingenverdrag ook rekening mee mag wor­den gehouden. Op basis van het feit dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de vrede, waaronder de aanvalsoorlog, mag hem de vluchtelin­genstatus worden onthouden. Evenmin zijn de vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of be­straffing, die geen foltering inhouden, in het algemeen strafbaar gesteld. Hoewel die gedragingen in het kader van het anti-folterverdrag ook moeten worden tegengegaan, behoeven zij ingevolge dat verdrag niet als straf­baar feit in de nationale wetgeving te worden opgenomen. Dergelijke handelingen zijn ingevolge de Wet internationale misdrijven dan ook uitsluitend strafbaar indien zij plaatsvinden "als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen een burgerbevolking". In dat geval vormen zij misdaden tegen de menselijkheid. Een categorie misdaden die ook behoort tot het internationaal gewoonterecht en waar­van de betekenis niet scherp is omlijnd. De jurisprudentie geeft evenwel aan dat ook bepaalde wandaden gepleegd tegen leden van de eigen bevolking als misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden aangemerkt.

Mijn stelling is nu dat, hoewel de Nederlandse Grondwet inhoudt dat de Nederland­se regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde dient te bevorderen, hetgeen iets anders in dan af te breken, de Nederlandse regering voor diverse sys­teemmisdaden verantwoordelijk of medeverantwoordelijk is. Voor het plegen van deze systeemmisdaden is tot nu toe evenwel geen enkele minister, geen enkele ambtenaar, geen enkele militair strafrechtelijk vervolgd. De rechterlijke macht, zowel de staande als de zittende magistratuur, speelt hierbij een bijzonder kwalijke rol. Een rol die alleszins vergelijkbaar is met die van de furchtbare Juristen ten tijde van het Derde Rijk. Dat wil zeggen van juristen, die met een blinde vlek voor de ge­volgen van hun handelwijze, weigeren om fundamentele beginselen van het recht en de wetten van de menselijkheid te verdedigen tegen de misdadige handelwijze van de politieke elite; juristen die de misdadige politieke wil dwingend opleggen aan de justitiabelen.

In dit verband kan worden gewezen op het medeplegen van en de medeplichtigheid aan aanvalsoorlogen en andere misdrijven tegen de vrede, het medeplegen en de medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden, de samenspanning tot het plegen van ge­nocide, de medeplichtigheid aan foltering en wellicht ook het medeplegen en de medeplichtigheid aan onmenselijke behandeling. Een hele catalogus aan systeem­misdaden dus, waartegen de Nederlandse bevolking niet in opstand komt.

3. De aanvalsoorlogen

Ik begin met de aanvalsoorlogen, omdat deze het meest in het oog springen en de catastrofale gevolgen daarvan dagelijks zichtbaar zijn. Het maken van plannen voor, het voorbereiden van, het beginnen met en het voeren van een aanvalsoorlog vormen naar internationaal gewoonterecht misdrijven tegen de vrede. Sedert het Internationaal Militair Tribunaal van Neurenberg en het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten, welke rechtbanken de Duitse onderscheidenlijk de Japanse oorlogsleiders berechtten na de Tweede Wereldoorlog, zijn de misdaden tegen de vrede hecht in het internationaal gewoonterecht verankerd. Dit komt niet alleen tot uitdrukking in de publicaties van gezaghebbende volkenrechtdeskundi­gen, maar ook in latere verdragen. Ik noemde zojuist het Vluchtelingenverdrag al. Ook het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof vermeldt de misdaad van agressie in de opsomming van misdrijven terzake waarvan het Internationaal Strafhof bevoegd is.

De Nederlandse regering heeft zich de laatste jaren bij herhaling medeschuldig gemaakt aan agressie. Een misdrijf waarvan het Internationaal Militair Tribunaal van Neurenberg heeft gezegd, dat dit het meest ernstige internationale misdrijf is, dat al het kwaad van de oorlog omvat. Toch stemde de Nederlandse politieke elite in met de actieve betrokkenheid bij drie aanvalsoorlogen. Het gaat hierbij om de aan­valsoorlog tegen de Federale Republiek Joegoslavië in 1999, de aanvalsoorlog tegen Afghanistan in 2001 en de aanvalsoorlog tegen Irak in 2003. Met name de catastro­fale gevolgen in Afghanistan en Irak dringen nog dagelijks door in de media.

Het is individuele staten en bondgenootschappen verboden om op grond van welke reden dan ook over te gaan tot gebruik van militair geweld tegen een andere staat of een ander bondgenootschap, behoudens twee uitzonderingen. Die uitzonderingen zijn zelfverdediging tegen een militaire aanval en een expliciete opdracht of machti­ging van de VN-Veiligheidsraad tot het gebruik van militaire middelen.

In het geval van de NAVO-aanval tegen de Federale Republiek Joegoslavië deden zich die uitzonderingen niet voor. Joegoslavië had géén van de lidstaten van de NAVO aangevallen en er was geen beslissing van de VN-Veiligheidsraad tot het ge­bruik van militair geweld. Desalniettemin viel de NAVO aan. De Nederlandse rege­ring onder Kok betoogde dat de resoluties van de VN-Veiligheidsraad voldoende rechtvaardiging voor die aanval boden, maar dat was een bewuste vorm van mislei­ding. Een vorm van misleiding die zelfs door de serviele Nederlandse rechterlijke macht werd afgewezen.

U begrijpt uit mijn woordkeus dat ik scherpe kritiek heb op het optreden van de rechterlijke macht terzake. De vredesbeweging heeft namelijk pogingen in het werk gesteld om een rechterlijke verbod te krijgen op de Nederlandse medewerking aan die systeemmisdadige aanvalsoorlog. Dit gebeurde in kort geding voor de president van de rechtbank Den Haag. Deze bestond het om, terwijl de kranten bol stonden van de berichten over Joegoslavië en de dreigende oorlog, het kort geding eerst na een maand te willen behandelen. Wanneer er evenwel stakingen dreigen en het be­drijfsleven maar roept dat deze onaanvaardbare schade toebrengen, is de president bereid om de partijen à la minute te ontvangen. Maar wanneer het meest ernstige misdrijf naar internationaal recht dreigt plaats te vinden, er heel direct mensenle­vens op het spel staan en grootschalige vernietiging dreigt plaats te vinden, geeft de rechter geen thuis en hanteert hij de gangbare termijnen. En als klap op de vuurpijl betoogt hij dan, in een uitspraak van 26februari 1999, dat het Handvest van de Verenigde Naties zich richt tot staten en dat burgers daaraan geen rechten kunnen ontlenen, ook niet de bedreigde burgers die woonden in Joegoslavië en die eiser waren in het geding tezamen met Nederlandse vredesorganisaties. Dit terwijl de preambule van het Handvest zegt dat het gaat om de "komende geslachten te behoe­den voor de oorlog", alsook om "de fundamentele rechten van de mens" en "de waar­digheid en waarde van de menselijke persoon".

En toen de aanvalsoorlog in alle hevigheid was losgebarsten, werd een volgende poging gedaan om de rechter tot ingrijpen te bewegen. Nu meende de dienstdoende president in zijn uitspraak van 7april 1999 dat burgers zich wel degelijk op het volkenrechtelijk geweldverbod konden beroepen. Om vervolgens te overwegen:

"De omstandigheid dat niet de Veiligheidsraad, maar de NAVO-raad vervolgens heeft besloten tot het ondernemen van militaire acties teneinde de Federale Republiek Joegoslavië te bewegen tot naleving van de resolutie 1199 kan niet op voorhand als onrechtmatig worden aangemerkt, ook al brengt dit voor eisers een zeker risico met zich mee voor hun recht op leven."

Je gelooft niet wat je hoort. Terwijl de rechter in andere gevallen onderzoekt of een overheidsbesluit bevoegd genomen is, gaat hij in dit geval glashard voorbij aan de evidente onbevoegdheid van de NAVO-raad. De rechter toonde zich de gewetenloze lakei van de uitvoerende macht.

De geschiedenis herhaalde zich bij Afghanistan. Er was geen sprake van een mili­taire aanval van Afghanistan op welk land dan ook. Er was sprake geweest van een terroristische actie, met vreselijke gevolgen. Maar die terroristische actie was een éénmalige, unieke gebeurtenis, waaraan geen verdergaande strijd tegen de Verenig­de Staten door vijandelijke gewapende militaire eenheden was verbonden. Waarte­gen zou de gepretendeerde militaire verdediging zich dan moeten richten? Evenmin was er een besluit genomen door de VN-Veiligheidsraad om militair geweld tegen Afghanistan te gebruiken. De Amerikaanse regering stelde aan het Taliban-regiem een ultimatum om Bin Laden uit te leveren, maar weigerde om enig bewijs aan te dragen dat Bin Laden verantwoordelijk was voor de terroristische actie van 11sep­tember 2001. Reeds ingevolge de verdragen van Den Haag en het Handvest van de Volkenbond was het verboden om op grond van een ultimatum tot militaire actie over te gaan. In het kader van het Handvest van de Verenigde Naties is een derge­lijke handelwijze zonder meer uitgesloten.

Maar de Nederlandse regering deed opnieuw domweg mee met die aanvalsoorlog. Opnieuw werd het meest ernstige misdrijf naar internationaal recht gepleegd. En opnieuw werd dit volledig gedekt door de rechterlijke macht. In zijn arrest van 6februari 2004 oordeelde de Hoge Raad dat een burger zich tegenover de staat niet kon beroepen op het geweldverbod. Bovendien oordeelde de Hoge Raad dat de burger zich tegenover de Staat evenmin op art. 90 Grondwet kan beroepen. Hij overwoog daarbij:

"In dit verband merkt de Hoge Raad op dat de onderhavige vorderingen van de (eisers) betrekking hebben op vragen betreffende het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Het is, ook waar het het geweldverbod betreft, niet aan de burgerlijke rechter om deze politieke afwegingen te maken en op verlangen van een burger de Staat (de regering) bepaalde handelingen ter uitvoering van politieke besluit­vorming op het gebied van buitenlands beleid of defensie te verbieden of hem te gelasten op dit gebied een bepaalde gedragslijn te volgen."

Wat de Hoge Raad hier in feite zegt, is dat de politiek mag besluiten om misdaden te begaan. Want de vraag of het geweldverbod is geschonden, wat een zuiver juri­disch oordeel is, wordt door de Hoge Raad als bij toverslag veranderd in een zaak waarin uitsluitend politieke afwegingen aan de orde zijn. De Hoge Raad heeft hier­mee het ideaal van rechtsstaat, waarin ook de politieke machthebbers aan het recht zijn gebonden, gelaten voor wat het was. De Hoge Raad heeft de misdadige politieke wil boven het recht gesteld. Daarmee maakte de Hoge Raad in de kern van de zaak dezelfde keuze als de furchtbare Juristen in het Derde Rijk.

Irak laat hetzelfde patroon zien. En opnieuw doet Nederland met de aanval mee. Niet alleen politiek, zoals de politici ons willen doen geloven, maar ook militair. We beschermen het Turkse luchtruim tegen een eventuele tegenaanval van de Iraakse strijdkrachten. Een verdedigingsmaatregel die volkomen normaal is in het kader van de voorbereiding van een aanvalsoorlog. De aanvaller moet immers beducht zijn op tegenstoten van de aangevallen partij. Omdat de juridische strijd tegen de Ne­derlandse deelname aan de aanvalsoorlog tegen Afghanistan nog gaande was, is toen echter niet opnieuw een poging gedaan om een rechterlijk verbod uit te lokken.

4. De oorlogsmisdrijven

De tweede categorie systeemmisdaden die ik wil belichten, zijn de oorlogsmisdaden. Het gaat hierbij om zowel de in de zojuist behandelde aanvalsoorlogen reeds ge­pleegde oorlogsmisdaden, als de voorbereide oorlogsmisdaden in het kader van de verdedigingsplannen. Bij dit laatste moet u dan denken aan het gebruik van massa­vernietigingsmiddelen.

In de berichtgeving over de oorlogvoering tegen Joegoslavië, Afghanistan en Irak wordt van militaire en politieke zijde voortdurend benadrukt dat men de uiterste best doet om zo min mogelijk burgerslachtoffers te maken. Dat is ook geheel in lijn met het meest fundamentele beginsel van het oorlogsrecht, dat inhoudt dat de bel­ligerenten zich uitsluitend de verzwakking van de vijandelijke strijdkrachten tot doel mogen stellen. Dientengevolge is het absoluut verboden om de burgerbevolking tot doelwit van de militaire aanval te maken, om niet-onderscheidend geweld te ge­bruiken waarvan combattanten en burgerbevolking gelijkelijk het slachtoffer wor­den, of om een militaire aanval uit te voeren die tot onevenredige benadeling van de burgerbevolking zou leiden. Nauwkeurige bestudering van diverse aanvallen levert evenwel een ander beeld op.

Het is niet alleen verboden om de burgerbevolking aan te vallen, maar ook civiele objecten mogen niet tot doelwit van de aanval worden gemaakt. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt, indien een bepaald civiel object wordt gebruikt door de vijandelijke strijdkrachten en de gehele of gedeeltelijke vernietiging daarvan -ge­zien in het totaal van de militaire situatie- een duidelijk militair voordeel zou op­leveren voor de aanvaller. In de oorlog tegen Joegoslavië is bij herhaling gehandeld in strijd met deze bepaling. Een bepaling die is neergelegd in Aanvullend Protocol I van 1977, behorende bij de Verdragen van Genève van 1949. Zo hebben we gezien dat bruggen in Joegoslavië werden gebombardeerd, terwijl daaruit geen enkel mili­tair voordeel voortvloeide voor de aanvallende NAVO-landen. De vernieling van bruggen zou eerst dan militair voordeel kunnen opleveren, indien de NAVO verwik­keld zou zijn geweest in een landoorlog. De vernieling van bruggen kan dan de bewegingsvrijheid en snelheid van manoeuvreren van de vijandelijke legereenheden beperken, hetgeen een tactisch voordeel kan opleveren voor de aanvallende leger­eenheden. Maar de NAVO was helemaal niet van plan om met legereenheden Joe­goslavië binnen te trekken. De NAVO wilde uitsluitend vanuit de lucht bombar­deren. In een dergelijke situatie is het totaal niet van militair belang om bruggen te vernielen. Met dergelijke aanvallen werd de militaire aanval dan ook gericht tegen civiele objecten. Dat waren stuk voor stuk oorlogsmisdaden.

Aparte vermelding verdient in dit verband nog de aanval op de RTS-studio te Bel­grado. Dat was heel duidelijk een aanval op een burgerlijk doelwit. De RTS-studio had geen enkele militaire betekenis. De politici, waaronder de toenmalige minister-president Kok, trachtten die aanval te rechtvaardigen door te stellen dat de RTS-studio mocht worden aangevallen vanwege de Servische oorlogspropaganda die van daaruit zou worden bedreven. We hebben het dan echter bepaald niet over een mili­taire activiteit of over de verzwakking van de vijandelijke strijdkrachten. Ook de studio's in Hilversum werden overigens voor oorlogspropaganda gebruikt. Zouden de Servische strijdkrachten die dan hebben mogen opblazen? En de jurisprudentie toont ons aan dat de oorlogspropaganda geen verboden activiteit is. Zo werd in Neurenberg Hans Fritzsche, een topambtenaar van het ministerie van propaganda van Goebbels, vrijgesproken van de hem tenlastegelegde oorlogsmisdaden.

Uit Afghanistan bereiken ons inmiddels berichten dat doelen worden beschoten terwijl men niet weet of zich aldaar al dan niet vijandelijke Taliban-strijders bevin­den. Dat is een typisch voorbeeld van blind, niet-onderscheidend geweld. Een zuivere oorlogsmisdaad derhalve. Tevens kan worden gewezen op de samenwerking tussen de Nederlandse eenheden en de Amerikaanse strijdkrachten. Deze laatsten zetten zogenaamde "gunships" in, dat zijn grote vliegtuigen waarin kanonnen zijn ingebouwd. Langzaam vliegend worden vanuit de lucht doelwitten op de grond be­stookt op een manier die eveneens doet denken aan blind geweld. In ieder geval is er sprake van disproportionele benadeling van de civiele bevolking, die wordt geconfronteerd met de vernietiging van hun huizen. Er lijkt dus alle reden te zijn om ook die wijze van aanvallen als misdadig aan te merken.

Wanneer ik dan nu overstap naar de voorbereidingen voor het plegen van oorlogs­misdaden, kom ik op een terrein waarmee ik me nu al ruim dertig jaar bezighoud. Het gaat dan om de voorbereiding van het gebruik van massavernietigingsmiddelen. In concreto het gebruik van nucleaire massavernietigingsmiddelen. De strategische opvattingen die aan die inzet ten grondslag liggen, zijn de facto gebaseerd op de bereidheid om de burgerbevolking tot doelwit van de militaire aanval te maken. De ultieme dreiging die van het nucleaire systeem uitgaat, is die van de vernietiging van steden. In feite hebben we het dan niet uitsluitend over oorlogsmisdaden in enge zin, maar ook over misdaden tegen de menselijkheid en over genocide. De nu­cleaire strategieën en heel de daarmee samenhangende militaire machinerie kan dan ook worden aangemerkt als samenspanning tot genocide. Het is de totale ont­kenning van het oorlogsrecht, van het verbod van genocide en van het fundament van het internationaal recht, de goede trouw.

Ik veroorloof mij in dit verband een vergelijking met het terrorisme. Reeds vanaf de vijftiger jaren van de vorige eeuw dragen de nucleaire mogendheden en hun bond­genoten de boodschap uit, dat zij bereid zijn om zonder enig onderscheid non-com­battanten op grote, genocidale schaal te doden. Zij dreigen reeds tientallen jaren om vrouwen, kinderen en ouden van dagen, dus om mensen die in een militaire strijd geen enkel gewicht in de schaal leggen, op massale wijze om te brengen. Daarover maken zich heden ten dage nog weinig mensen echt druk. Maar men maakt zich op welhaast hysterische wijze wel druk om de dreiging van terroristische acties. Men is diep verontwaardigd dat terroristen willekeurige voorbijgangers tot slachtoffer maken. Dit terwijl de schaal waarop dit laatste gebeurt, veel geringer van omvang is dan de nucleaire dreiging die onze samenleving tegenover heel de wereld in stand houdt. Hoe kunnen wij het terrorisme zo veroordelen, terwijl wij de dreiging met de nucleaire terreur in stand laten?

Terug naar de voorbereiding voor het gebruik van nucleaire massavernietigingsmid­delen. Niet alleen het gebruik van kernwapens tegen steden moet als misdadig wor­den aangemerkt. Ieder gebruik van atoombommen tegen doelen in bevolkt gebied is zonder enige twijfel misdadig. De uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 8juli 1996 laat daarover feitelijk geen misverstand. Bij het gebruik van kernwapens gaat het om niet-onderscheidend geweld. Een gegeven dat de Neder­landse regering als zodanig ook expliciet heeft erkend. "Kernwapens", zo zei de regering, "zijn en blijven massavernietigingswapens". En massavernietigingswapens vernietigen veel meer dan het nominaal aan te vallen militair doelwit. Feitelijk vernietigen zij een heel gebied, met allen die daar verblijven en alles wat zich daarin bevindt.

Even voor de beeldvorming wat cijfers. In Nederland liggen B-61 atoombommen klaar voor gebruik. Zij moeten in voorkomend geval door Nederlandse F-16 vlieg­tuigen worden afgeworpen. De explosieve kracht van die bommen is variabel. Het gaat maximaal om een explosieve kracht van 170 kiloton TNT, ruim dertien maal zo zwaar als de bom die Hiroshima vernietigde. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met de totale vernietiging van een gebied van ruim 50 km2. Dat is een cirkelvormig gebied rond het grondnulpunt met een straal van ruim vier km, dus een middellijn van ruim acht km. Volgens de World Health Organization levert een bom van 100 kiloton TNT al een letale dosis radioactieve straling op in een gebied van 100 km2. En die B-61 bommen dat zijn zogenaamde tactische wapens, bedoeld om ingezet te worden tegen doelen in of in de nabijheid van steden en dorpen.

De juridische strijd hierover wordt nog in alle hevigheid gevoerd. Maar als er één ding duidelijk is geworden, dan is dat dat de rechterlijke macht willens en wetens kiest tegen het oorlogsrecht en tegen de humaniteit. De tijd ontbreekt mij om alle arresten van de Hoge Raad te bespreken. Het is een bedroevende reeks van malici­euze ontkenningen van feiten van algemene bekendheid en ontkenningen van rechtsnormen. Zo ontkende de Hoge Raad in een arrest van 21december 2001 zelfs dat de Staat onder alle omstandigheden gebonden was aan het absolute verbod om de burgerbevolking aan te vallen. Hij oordeelde dat niet op de voorhand kon worden gesteld dat de zogenaamde "first use" van kernwapens tegen steden onder alle om­standigheden onrechtmatig zou zijn. De facto koos de Hoge Raad hiermee voor de Duitse theorie die kortweg wordt aangeduid door het motto Kriegsräson geht vor Kriegsmanier. Een leer die inhoudt dat de oorlogsnoodzaak inbreuken op het oor­logsrecht rechtvaardigt. Een leer die door de gehele internationale gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog is verworpen. Een verwerping die ook tot uitdrukking kwam in de na-oorlogse jurisprudentie van de Bijzondere Raad van Cassatie. De Nederlandse Hoge Raad heeft zich in het onderhavige arrest dan ook de gewetenloze en serviele lakei van het nuclearisme getoond.

Dat de juridische strijd hierover nog in alle hevigheid kan worden gevoerd, is te danken aan anti-kernwapen activisten. Zij zijn bereid om telkens weer strafrech­telijke vervolgingen uit te lokken, door de vliegbasis Volkel op te gaan. Daar liggen de B-61 atoombommen. In de strafzaken wordt de systeemmisdadigheid van de voorbereidingen voor het gebruik van die massavernietigingsmiddelen dan telkens weer onder de aandacht gebracht. Na de immorele uitspraak van de Hoge Raad van 21december 2001, hebben de daarbij betrokken advocaten een harde aanval inge­zet zowel tegen het openbaar ministerie, als tegen de gewetenloosheid van de Hoge Raad. Het openbaar ministerie wordt daarbij détournement de pouvoir verweten: er wordt gebruik gemaakt van de vervolgingsbevoegdheid niet om de rechtsorde te be­schermen, maar om de misdadige voorbereiding van het gebruik van nucleaire mas­savernietigingsmiddelen te beschermen. Daarbij wordt zowel het optreden van het openbaar ministerie als dat van de Hoge Raad rechtstreeks vergeleken met dat van de furchtbare Juristen in het Derde Rijk. Dit leidt tot heftige taferelen, waarin het openbaar ministerie zich beledigd toont, rechters aan advocaten het woord ontne­men, advocaten rechters bij herhaling wraken. En telkens zien we dat de betrokken rechters willens en wetens kiezen tegen het oorlogsrecht, kiezen tegen de handha­ving van de humaniteit, en zich krampachtig blijven richten op de volkomen abjecte uitspraak van de Hoge Raad uit 2001.

5. Foltering en andere wrede of onmenselijke behandeling

Nu ik in het kader van de oorlogsmisdrijven de samenspanning tot genocide reeds heb aangestipt, rest mij om nog iets te zeggen over het verbod van foltering en an­dere wrede of onmenselijke behandeling. Dat Nederland zich medeplichtig maakt aan foltering kan mijns inziens niet worden ontkend. Nederland stond vluchten van het vliegtuig van de Central Intelligence Agency toe, waarmee van terrorisme ver­dachte arrestanten naar landen werden gesleept die bekend staan vanwege hun schendingen van mensenrechten en met name vanwege hun martelpraktijken. Inmiddels zijn diverse verhalen van weer op vrije voeten gestelde verdachten in de media gepubliceerd.

Daarnaast heeft Nederland in Afghanistan gevangengenomen Taliban-strijders over­gedragen aan zowel de Amerikanen als het Amerikaanse vazallenbewind in Kaboel. Van beide partijen is bekend dat zij folteren. Willens en wetens werken de Neder­landse strijdkrachten dus mee aan folterpraktijken. En zo het niet zou gaan om fol­teringen, dan is er in ieder geval sprake van wrede en onmenselijke behandeling. Omdat het hierbij gaat om krijgsgevangenen, is er in ieder geval sprake van een inbreuk op de Verdragen van Genève, en dientengevolge van een strafbaar feit op grond van de Wet internationale misdrijven.

Ik maak op dit punt een overstap naar een heel ander beleidsterrein. Dat is het vreemdelingenbeleid. Het Nederlandse vreemdelingenbeleid wordt gekenmerkt door een zeer grote mate restrictiviteit, ook waar het gaat om mensen die asielzoeker zijn. De beoordeling van hun aanvraag tot erkenning als asielzoeker gebeurt in het merendeel van de gevallen op zodanig onzorgvuldige en snelle manier, dat er een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat dat mensen in strijd met het verbod van refoulement zijn teruggestuurd naar het land dat zij wensten te ont­vluchten. Het is ook praktisch zeker dat vluchtelingen bij hun terugkeer zijn opge­pakt en zijn gefolterd of anderszins een wrede of onmenselijke behandeling hebben ondergaan.

Los daarvan wordt het vreemdelingenbeleid gekenmerkt door een uiterst inhumane manier van optreden tegenover de vreemdelingen, asielzoeker of niet, die geen ver­blijfsvergunning hebben gekregen, maar die niet kunnen worden teruggestuurd of uitgezet. Hun wordt het leven onmogelijk gemaakt, want zij mogen niet werken en zij hebben geen recht op bijstand of zorg. Regelmatig worden zogenaamde "illegalen" opgepakt en in vreemdelingenbewaring gezet, met het oog op uitzetting. Soms na maanden detentie blijkt dan dat uitzetting niet mogelijk is, waarna zij op straat worden gezet -in het jargon wordt dat "geklinkerd" genoemd- met de mededeling dat zij Nederland dienen te verlaten. Hoe dat laatste dan zou moeten, wordt er niet bij verteld. Dit neemt niet weg dat zij ook een volgende keer weer kunnen worden vastgezet, om vervolgens weer te worden "geklinkerd". Deze volkomen rechteloze mensen worden de illegaliteit ingedreven, met alle kwade kansen van dien van mis­daad en uitbuiting. Zo rapporteerde de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst al dat zich in Nederland steeds meer gevallen van moderne slavernij voordoen.

Ook de manier waarop de detentie van deze rechteloze vreemdelingen wordt uitge­voerd, is onmenselijk. Veelal verblijven zij meestentijds in hun cel. Er zijn nauwe­lijks of geen mogelijkheden voor ontspanning of werk. De mensen verkeren voort­durend in onzekerheid over hun lot, worden geconfronteerd met bewakingsperso­neel dat wordt gekarakteriseerd door een gebrek aan empathisch vermogen en onkunde, en krijgen onvoldoende medische zorg.

Door dit systeem van behandeling worden ongewenste vreemdelingen willens en wetens kapotgemaakt. Er is mijns inziens sprake van een onmenselijke behan­deling. Nu deze behandeling zich richt tegen een omvangrijke groep van burgers in Nederland, wil het mij voorkomen dat deze kan worden aangemerkt als misdaad tegen de menselijkheid en worden gebracht onder het strafbare feit van art. 4 Wet internationale misdrijven.

In dit verband wil ik u de reactie van de rechter niet onthouden, toen ik hem als advocaat van een groepje actievoerders tegen het Nederlandse vreemdelingenbeleid met de benaderingswijze confronteerde, dat de Nederlandse overheid zich mede­schuldig maakt aan foltering en zich schuldig maakt aan onmenselijke behande­ling. Hij stelde dat ik een politiek betoog had gehouden. Dit terwijl ik een bepaalde handelwijze van de Nederlandse overheid had getoetst aan strafrechtelijk te hand­haven normen, wat normale rechtstoepassing is. De betrokken rechter vertoonde dan ook de Pavlov-reactie van de rechterlijke macht, wanneer deze wordt gecon­fronteerd met de stelling dat de Nederlandse overheid zich schuldig maakt aan misdaden. Die Pavlov-reactie is dat dan glashard wordt ontkend dat het gaat om een juridische argumentatie, door te stellen dat een politiek betoog is gehouden. Die Pavlov-reactie zien we ook bij herhaling in de strafzaken waarin het gaat om acties tegen kernwapens.

6. Enige opmerkingen over de straffeloosheid

Rest mij om in te gaan op de straffeloosheid van daders van en medeplichtigen aan de aangegeven systeemmisdaden. De vraag dient zich aan waarom er sprake is van straffeloosheid.

In de eerste plaats kan in dit kader worden gewezen op het gegeven dat het gaat om feiten die, hoe erg het ook is, democratisch gelegitimeerd zijn. De meerderheid van de Eerste en Tweede Kamer stemmen steeds weer in met de genoemde systeemmis­daden.

In de tweede plaats is er de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om tot strafrech­telijke vervolging van de verantwoordelijke bewindslieden te komen. Bewindslieden worden immers niet vervolgd op het gezag van het openbaar ministerie, maar in op­dracht van de Tweede Kamer of van de Kroon. En aangezien niet te verwachten valt dat de politici die instemmen met een bepaald beleid, tegelijkertijd andere politici vanwege datzelfde beleid strafrechtelijk zouden willen vervolgen, is de bestraffing van ministers uitgesloten.

Ten derde is er de vergaande onwil van het openbaar ministerie om deze systeem­misdaden langs de weg van strafrechtelijke vervolging tegen te gaan. Hoewel bij herhaling geconfronteerd met scherpe kritiek, hoewel door het openbaar ministerie nooit inhoudelijk op die kritiek is ingegaan en deze bepaald niet is weerlegd, komt het openbaar ministerie er niet toe om rechtshandhavend op te treden. Zelfs in een zo duidelijke zaak als schending van het geweldverbod en schending van oorlogs­recht in de behandelde aanvalsoorlogen, gaat het openbaar ministerie niet over tot vervolging. Die evidente onwil gaat zelfs zover dat het openbaar ministerie ook ambtenaren niet wil vervol­gen, omdat de betrokken minister niet wordt vervolgd. De wettelijke uitzondering ten aanzien van de vervolging van ministers, wordt zonder wettelijke basis en in strijd met de individuele verantwoordelijkheid, uitgebreid tot de ambtenaren die onder het gezag van een minister handelen. Daarmee wordt de facto teruggekomen op de verwerping van het Befehl ist Befehl als rechtvaardiging voor misdaden gepleegd door ambtenaren en militairen.

Ten vierde is er de collaboratie van de zittende magistratuur, van de rechters. Zij tonen zich bereid tot vilein sofistische redeneringen, tot ontkenning van feiten en tot flagrante schending van dwingende rechtsnormen. Zij geven blijk feitelijk niets geleerd te hebben van de betreurenswaardige handelwijze van de furchtbare Juris­ten van het Derde Rijk. Dit ondanks het feit dat in het zogenaamde Juristenproces te Neurenberg de meest vooraanstaande justitiële autoriteiten zijn berecht en voor het merendeel zijn veroordeeld wegens schending van de wetten van de menselijk­heid. Hoewel zij zich er op lieten voorstaan dat zij niet meer hadden gedaan dan het geldend recht toepassen. Op dezelfde wijze beweert heden ten dage ook de Neder­landse rechterlijke macht slechts het recht toe te passen.

Tenslotte vermeld ik de weinig kritische rol van de media. Hoewel het in de zaken waarin de onderhavige systeemmisdaden aan de orde komen, om fundamentele rechtsvragen gaat en om de vraag in hoeverre de rechterlijke macht bereid is om zijn constitutionele rol zuiver te vervullen, wordt daaraan feitelijk nauwelijks aan­dacht besteed. Vaak krijg ik te horen dat het te ingewikkeld is voor het grote pu­bliek. Een stelling die ik in ieder geval niet kan onderschrijven. Het is immers heel eenvoudig uit te leggen dat ook de regering zich aan het recht dient te houden en dat het recht verbiedt om bijvoorbeeld een aanvalsoorlog te voeren.

De vraag is dan ook langs welke wegen de gesignaleerde straffeloze medeplichtig­heid kan worden aangepakt. Het wil mij voorkomen dat de actieve benadrukking van het misdadige karakter van bepaald overheidsoptreden een taak is van orga­nisaties zoals de Liga voor de Rechten van de Mens, de Vereniging van Juristen voor de Vrede en het Tribunaal voor de Vrede. Een op de publieke opinie gerichte strategie, lijkt in dat kader noodzakelijk.


top page