|
|
 |
 |
Standpunten politieke partijen op het gebied van aanpak kindermishandeling
In Nederland sterft elke week een kind aan de gevolgen van
kindermishandeling. Die gruwelijke constatering is volgens onderzoekers
slechts het topje van de ijsberg. Zij schatten dat jaarlijks 80.000
kinderen worden mishandeld.
Hoe heeft het zover kunnen komen in een 'beschaafd' land als Nederland?
Je zou kunnen spreken van een nationale ramp. Of valt het allemaal
wel mee? Welke voorstellen dragen politieke partijen aan voor
de verbetering van het beleid en het ontstaan van mogelijke oplossingen?
En zijn ze het eens met de manier waarop de regering het op dit
moment wil aanpakken?
Alle partijen zijn het er over eens dat het probleem onaanvaardbaar
is. Men noemt de lange wachttijden en het buitensporige papierwerk
als oorzaak van het voortbestaan van kindermishandeling. Maar
waarin verschillen de partijen ? Een weergave van de standpunten:
M. de Pater, CDA:
Vertrouwen op het inzicht van de gezinsvoogd
'De aandacht moet niet alleen naar de bestrijding van kindermishandeling
gaan, maar ook naar het onderkennen van het probleem. Het mag
niet meer onder de tafel worden geschoven. Professionals en werknemers
van het onderwijs moeten een alertere houding aannemen en interveniëren
als ze signalen opvangen. Dat geldt eveneens voor de politie wanneer
het om huiselijk geweld, waaronder kindermishandeling, gaat. Voorheen
was het een morele kwestie in hoeverre officiële instanties
zich met privé-personen mochten bemoeien. Dat moet dus
veranderen. Hoe het kan dat de wachttijden zijn toegenomen sinds
het instellen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK),
is mij niet helemaal duidelijk. Er moet natuurlijk eerst veel
uitgezocht worden over wat de beste oplossing is, voordat er een
maatregel kan worden genomen. Maar aan de andere kant vind ik
dat kinderen sneller uit huis moeten worden gehaald, indien geweld
niet te voorkomen is. Ik vertrouw op het inzicht van de gezinsvoogd.
Die moet, om het kind te beschermen, acute maatregelen, als uithuisplaatsing,
durven nemen.'
M. Örgü, VVD:
Opvoedcursus wettelijke verplichting
'Ik vermoed dat de cijfers over het aantal mishandelde kinderen
per jaar geen juiste weergave is. Het betreft het aantal dat aangemeld
is. Dit is slechts een topje van de ijsberg. Dat blijkt uit het
feit dat nu er &ecute;én meldpunt is, de aanmeldingen stijgen. Er moet
veel gedaan worden aan preventie. Als eerste moeten de consultatiebureau's
alert zijn op de symptomen van kindermishandeling. Daarnaast kan
men van tevoren voorspellen welke ouders een risico vormen. Deze
risicogroep, van bijvoorbeeld verslaafden, tienermoeders en moeders
met een psychische ziekte, zijn zelf al bekend in het zorgsysteem.
Zij zouden wettelijk verplicht moeten worden gesteld om een opvoedcursus
te volgen.'
U. Lambrechts, D66:
Slachtoffers in jeugdgevangenissen opbergen is ook kindermishandeling
'De nieuwe Wet op de Jeugdzorg, die per 1 januari van kracht is,
maar nu al in werking is gesteld, doet de bureaucratie niet afnemen.
Na dat ene meldpunt raakt men namelijk verstrikt in een wirwar
van honderden instanties, waar langs elkaar heen wordt gewerkt.
Het slachtoffer wordt van de ene hulpverlener naar de andere gestuurd
en komt regelmatig op een willekeurige plek terecht - niet noodzakelijk
de juiste. Een schrikbarend voorbeeld hier zijn de gevallen van
meisjes met incestervaring of die beschermd moeten worden tegen
een 'loverboy', die in een jeugdgevangenis terecht komen. De jeugdgevangenis
was bedoeld als een noodoplossing, crisisopvang. Het lijkt nu
een permanente oplossing voor een grotere groep te worden. De
slachtoffers moeten zich aan dezelfde regels houden als een gewone
gevangene en het duurt lang voordat er geestelijke of lichamelijke
hulp komt. Ook dit is een vorm van kindermishandeling!'
E. Kalsbeek, PvdA:
De provincie moet meer verantwoordelijkheid nemen
'Laatst is er een publiekscampagne 'Meldpunt kindermishandeling'
gelanceerd, waardoor het aantal meldingen is gestegen en de nood
dus nog hoger is geworden. Ik vind dat de provincie meer prioriteit
aan het probleemstuk kindermishandeling moet geven en middelen
beschikbaar moet stellen. Ze moeten meer verantwoordelijkheid
tonen. Om de wachtlijsten terug te dringen, zouden de behandelplaatsen
en pleeggezinnen moeten worden uitgebreid. Daarnaast moet er worden
gekeken of er wel voldoende efficiënt wordt gewerkt. In de jeugdhulpverlening
maakt men te veel gebruik van formulieren. Dat kan minder. En
op de werkvloer moet worden bekeken hoe en waar men efficiënter
kan werken. De precieze invulling daarvan, laat ik aan het provinciale
bestuur en de mensen op de werkvloer over.'
E. Tonkens & M. Vos, GroenLinks:
Huisartsenmodel
'Wij betitelen de hedendaagse jeugdzorg als een goedbedoelde ramp.
Is een jongere van de wachtlijst voor het Bureau Jeugdzorg af,
dan wordt hij door Bureau Jeugdzorg doorverwezen naar een nieuwe
(vaak lange) wachtlijst. De Groenlinksfractie vindt dat het huisartsenmodel
geïntroduceerd zou moeten worden. In dit model blijft één
persoon tijdens het gehele traject verantwoordelijk. De verantwoordelijke,
oftewel huis(jeugd)hulpverlener stelt de diagnose, maar helpt
ook meteen waar hij kan. Als de huishulpverlener het zelf kan,
dan biedt hij de zorg. Als er specialistische hulp nodig is, verwijst
hij door. Na de specialistische behandeling komt de jongere weer
terug bij de jeugdhulpverlener. Dit huisartsenmodel lost twee
belangrijke problemen op: het is niet bureaucratisch van opzet
én het voorkomt dat allerlei hulpverleners langs elkaar heen werken,
terwijl niemand verantwoordelijkheid neemt. Het huisartsenmodel
stelt de hulprelatie centraal en laat jongeren niet zwemmen in
de wirwar van regels en procedures. Hiermee kunnen situaties als
Savannah beter worden voorkomen.'
A. Kant, SP:
Bureau Jeugdzorg meer initiatief
'Ik vind dat het huidige kabinet geen daadkracht toont. Als er
een melding wordt gedaan bij een AMK, is dat geen garantie dat
er meteen wordt gehandeld. Dit komt omdat Bureau Jeugdzorg te
veel een doorverwijsfunctie heeft gekregen. Ze mogen zelf weinig
initiatief nemen. Bovendien raken te veel instanties bij één
zaak betrokken. Dat veroorzaakt veel papierwerk en een grote wachtlijst.
Je zou beter kunnen proberen één geval bij één hulpverlener
te houden. Het vele papierwerk is wel nodig, maar alleen als het
in het belang van het kind is en niet in het belang van de verantwoording.
Minister Donner gaat een nieuwe wet invoeren, waarin staat dat
kinderen recht hebben op een geweldloze opvoeding. Hier sta ik
geheel achter. Hoewel de consequenties nog onduidelijk zijn, geeft
het een norm aan.'
M. Kraneveldt, LPF:
Versoepeling op de privacybescherming
'Er zou &ecute;én coördinator aangesteld moeten worden. Hij heeft het
beheer over het dossier van het kind en volgt het gehele proces.
Een zorgteam in een gemeente zou per geval moeten bekijken wie
de juiste coördinator is. Deze hoeft dus niet per definitie
van eenzelfde instantie te komen. Daarnaast moet er een beter
volgsysteem komen. Nu wordt er wegens privacybescherming niet
met elkaar gecommuniceerd. Met als gevolg dat de verschillende
instanties niet goed genoeg van op de hoogte zijn van elkaars
aanpak en er langs elkaar heen wordt gewerkt. Daarvoor zou de
wet op privacybescherming op het gebied van de bestrijding van
kindermishandeling moeten worden versoepeld.'
B.J. van der Vlies, SGP:
Eerst de kerk, dan de staat
'Als eerste moet je het probleem bekend maken. En vervolgens daar
ingrijpen waar het absoluut noodzakelijk is. De SGP vindt dat
men pas mag ingrijpen als het absoluut noodzakelijk is. Want boven
alles speelt voor ons de grote vraag waar de rol en verantwoordelijkheid
van de overheid begint. Ik steun bijvoorbeeld wel het idee van
opvoedcursussen. Maar tegelijkertijd dienen we zeer behoedzaam
te zijn voor een overheid die te diep in de privé-sfeer
ingrijpt. Alleen als ouders het nodig hebben, is een staatsopvoeding
welkom. Aanvankelijk moet het gezin het zelf oplossen, vervolgens
zou de familie kunnen ingrijpen, daarna de kerk en als laatste
pas de overheid. Daarnaast zal het ook moeilijk zijn de vorderingen
in een opvoedcursus te meten. Misschien is wel het allerbelangrijkste
dat mensen elkaar aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid,
zowel officiële instanties als mensen uit de directie omgeving.'
Georgette Panman
top page

|
|