|
|
 |
 |
KOP
november was op de Nederlandse televisie en radio 'de week van
het geheim geweld' te zien. Tijdens deze thematische week kwam
het onderwerp kindermishandeling in allerlei programma's aan bod.
De themaweek was een initiatief van de Reflectie en Actiegroep
Aanpak Kindermishandeling (RAAK). Geweld tegen kinderen speelt
zich af binnen de muren van het huis, onzichtbaar voor de buitenwereld.
Met de brede media-aandacht wilden de programmamakers het schrijnende
probleem openbaar maken. Of die programmamakers zelf het idee
hebben dat ze in hun opzet zijn geslaagd, weet ik niet. Maar de
zogenoemde spin-off liegt er niet om. In de politiek kan men niet
langer om het onderwerp kindermishandeling heen. Minister Donner
stelde dan ook onlangs voor een verbod op het slaan van een kind
op te nemen in het wetboek dat relaties van burgers onderling
regelt: het Burgerlijk Wetboek. Met dit wetsvoorstel - hét
hete hangijzer van kinderrechten actiegroepen - zet de minister
een eerste stap naar een gemeenschapsverantwoordelijkheid voor
het opvoeden van kinderen.
Hoewel de themaweek een succes genoemd kan worden, was niet iedereen
er over te spreken. Tv-criticus Hans Beerekamp, verzuchtte in
NRC Handelsblad dat hij genoeg had van thematische programmering.
Waarom moeten al die 'zachte' onderwerpen op tv, wilde hij weten.
Nederland 3 zou de vrijhaven moeten zijn van het verstand van
de Nederlandse televisie. Beerekamp wil 'alerte en intelligente
programma's over wat er buitenshuis gebeurt, zeker in deze tijden.'
De NRC journalist vindt het conflict in het Midden Oosten belangrijker.
Maar is kindermishandeling een zacht onderwerp? 50 kinderen per
jaar overlijden in Nederland aan de gevolgen van mishandeling.
Dat komt neer op ongeveer een kind per week.
Het systeem van het internationale recht heeft eenzelfde ongemakkelijke
verhouding als Beerekamp met private vormen van geweld zoals geweld
tegen vrouwen en kinderen. Het internationale recht is het recht
van staten en het regelt buitenhuizige onderwerpen als grensconflicten,
oorlogsrecht en zeerecht. Het in1948 geïntroduceerde stelsel
van mensenrechtenverdragen compliceerde het systeem van het statenrecht
enigszins. Opeens waren individuen subjecten van rechten. De staat
was het subject dat die rechten moest implementeren en garanderen.
De burger kon zich beroepen op fundamentele rechten van een ieder
waar ook ter wereld. Het VN vrouwenrechten verdrag uit 1979 en
het VN verdrag voor de rechten van het kind uit 1989 leidden verdere
complicaties. Op basis van artikel 19 van het kinderrechtenverdrag
is de staat gehouden elke vorm van kindermishandeling tegen te
gaan. Het betreft hier geen directe verplichting van de staat
ten opzichte van het individu, maar een verplichting van de staat
te garanderen dat individuen ten opzichte van elkaar geen mensenrechtenschendingen
plegen. Hieruit vloeit voort staatsaansprakelijkheid voor schendingen
van mensenrechten die in de privé-sfeer gebeuren. Dit is
een moeizame internationaal juridische verhouding. Het privé-domein
was lange tijd een blinde vlek in het mensenrechtendiscours. Maar
die staatsaansprakelijkheid voor schendingen in de privé-sfeer
is wel een noodzakelijke verhouding van de staat en de burger.
In de strijd voor bescherming van mensenrechten en tegen onrechtmatig
optreden van de overheid kunnen we ons natuurlijk wel beperken
tot 'Belangrijke Zaken' die buitenshuis gebeuren. We kunnen anno
2004 mensenrechten blijven definiëren zoals ze ooit in 1789 ten
tijde van de Franse revolutie werden beschouwd, als de Droits
de l'Homme, de rechten van de man, lees: de politieke- en burgerrechten
van de man tegenover de staat. Maar als we dat doen zijn we niet
alleen hopeloos ouderwets, we stemmen dan ook passief in met het
voortbestaan van een nationale ramp: 80.000 kinderen per jaar
die worden mishandeld en 50 daarvan sterven aan de gevolgen van
de mishandeling. Het is na7iuml;ef en soft te denken dat de staat en
de gemeenschap daar geen verantwoordelijkheid voor hebben.
Ruth Hopkins
top page

|
|